U bent hier

Verkeerde temperatuur en temperatuurschommelingen

Verkeerde temperatuur en temperatuurschommelingen

Een hoge temperatuur versnelt de chemische aftakeling van veel materialen: denk aan het corrosieproces. Ook de kans op  schimmelvorming in een vochtig klimaat neemt toe. Bij een lage temperatuur worden polymeren breekbaar als glas en is het gevaarlijk een schilderij met een dergelijk samengesteld vernis te verplaatsen. Temperatuurschommelingen zijn dan weer bedreigend voor voorwerpen uit verschillende materialen met elk een andere uitzettingscoefficiënt. Tot slot: temperatuur werkt samen met andere schadefactoren. Houd ook daar rekening mee.

Wat volgt is een vertaling van de tekst 'incorrect temperature' door onderzoeker Stefan Michalski. 

wat

Temperatuur is, in tegenstelling tot brand, water, ongedierte enz., geen schadefactor op zich. Vanuit de risico's voor een collectie spreken we beter van 'verkeerde temperatuur'. Daar zijn drie vormen van:

Een te hoge temperatuur

Deze categorie verdelen we in chemische, biologische en fysische processen. Het belangrijkste voor erfgoedinstellingen is het chemische: een normale kamertemperatuur is veel te hoog voor een bewaring op lange termijn van onstabiele materialen die door de mens zijn gemaakt. Denk vooral aan beeldmateriaal, klank en tekst. In de meeste erfgoedinstellingen baren alleen deze archiefcollecties zorgen over een verkeerde temperatuur.

Een te lage temperatuur

Over het algemeen is een lage temperatuur goed voor de meeste collecties, behalve voor materialen die uit polymeren zijn samengesteld. Beschildering bijvoorbeeld wordt broos en breekbaar. Voorzichtig hanteren neemt de grootste risico's weg. Vervoer dergelijke objecten ook niet bij een temperatuur lager dan 12°C ('glastransitietemperatuur'). 

Fluctuaties (= schommelingen) in de temperatuur 

Deze factor heeft de meeste erfgoedinstellingen vele decennia lang ertoe aangezet het klimaat te beheersen (samen met de bezorgdheid over de relatieve vochtigheid). De nadruk op temperatuurschommelingen was in het verleden te groot. 


bezoekers, energie, de omgeving en duurzaamheid

De temperatuurbeheersing in een erfgoedinstelling kan botsen met aspecten van menselijk comfort, energiekosten, de impact op de omgeving en duurzaamheid. Richtlijnen uit het verleden over de temperatuurbeheersing werden bepaald op basis van het menselijk comfort, een beperkte hoeveelheid wetenschappelijke kennis, vrij veel veronderstellingen over mogelijke schade door een ongecontroleerde omgeving en een ongelukkige tendens om één rigide streefwaarde centraal te stellen. In een periode van toenemende bezorgdheid over een verstandig gebruik van energiebronnen kunnen we dergelijke veronderstellingen niet onbevraagd laten. De centrale vraag is: waar moet de temperatuurbeheersing op focussen en waarom?

Dit hoofdstuk schetst wat we zeker weten over de noden van een collectie en waar grote risico's ontstaan.

 

aftakeling door verkeerde temperatuur. de meest gevoelige collecties


Een te hoge temperatuur

Cumulatieve chemische schade door blootstelling aan een temperatuur die snelle aftakeling veroorzaakt

Vele voorwerpen die vanaf de tweede helft van de 19de eeuw zijn gemaakt, vooral papier, fotografisch materiaal, rubber en vele plasticsoorten, zijn auto-destructief en takelen af binnen een mensenleven. Bij de lijst kunnen we ook moderne elektronische opnames - van analoge tapes tot digitale cd's- voegen. De tabellen 1a en 1b bevatten lijsten van materialen in erfgoedinstellingen en hun chemische gevoeligheid voor de belangrijke vorm van te hoge temperatuur die de normale kamertemperatuur is. Ze geven bij benadering hun levensduur. Omdat hydrolyse door zuren de belangrijkste oorzaak is van deze aftakeling, speelt ook relatieve vochtigheid een rol. Maar de temperatuur blijft de belangrijkste factor.

Behalve de materialen die reeds zuur zijn bij hun productie, zijn er ook die zuur zijn geworden door de blootstelling aan externe of interne polluenten, zoals textiel, papier en leer. Het gaat vooral om zwaveldioxide door de luchtvervuiling uit de 19de en 20ste eeuw.

Extreme voorbeelden van hoge gevoeligheid zijn cellulosenitraatfilm en dito platen (vooral gemaakt tussen 1896 en 1952). Ze worden poederig en kleverig. Zwaar afgetakelde films op rol kunnen zelfs ontbranden bij een temperatuur boven 38°C. Erfgoedinstellingen moeten ze identificeren (brandgevaar!) en isoleren.


Tabel 1a: Chemische gevoeligheid van materialen voor kamertemperatuur

Lage gevoeligheid

Medium gevoeligheid

Hoge gevoeligheid

Heel hoge gevoeligheid

hout, lijm, linnen, katoen, leer, papier uit lompen, perkament, olieverf, eitemperaverf, aquarel beelddragers en preparatielagen

Er bestaan voorbeelden van deze materialen die 1000 tot 3000 jaar in een droge grafcontext of een droge gesloten omgeving van ca. 20°C zijn bewaard. Ze waren afgeschermd van elke zure omgeving, zoals luchtvervuiling tijdens de Industriële Revolutie, en zijn ooit vochtig geweest. Huid, botmateriaal en ivoor van de mammoet hebben 40.000 jaar overleefd in bevroren toestand.

Naar de huidige norm stabiel fotografisch materiaal dat bruikbaar blijft met weinig of geen verandering, zoals 19de-eeuwse zwart-wit glasnegatieven en zwart-witnegatieven uit de 20ste eeuw op polyesterfilm

Zuur papier en bepaalde filmsoorten worden broos, bruin en moeilijk toegankelijk, bv. kranten en boeken van lage kwaliteit en papier van na 1850.

Acetaatfilm krimpt en de beeldlaag barst.

Cellulose en vele vroege plasticsoorten worden geel, breken en vervormen.

Natuurlijke materialen die zuur worden door pollutie (bv. textiel, leer) verzwakken en kunnen uit elkaar vallen.

Het zogenaamde onstabiele materiaal.

Magnetische beelddragers worden onafspeelbaar, bv. video- en audiotapes, data, floppydisks enz.

Het minst stabiele fotografisch materiaal takelt af, bv. kleurenprints  vervagen (in het donker), materiaal van lage kwaliteit vergeelt en valt uit elkaar. Dit gebeurt sneller als het in een grote hoeveelheid is verpakt.

Vele elastische polymeren, van rubber tot polyurethaanschuim, worden broos of kleverig of vallen uit elkaar. Bepaalde acrylverfsoorten op bepaalde dragers op doek vergelen snel.  

Tabel 1b. Levensverwachting van materialen bij verschillende temperatuur

Temperatuur                

Lage gevoeligheid

Medium gevoeligheid

Hoge gevoeligheid

Heel hoge gevoeligheid

warmtebehandeling, zon 
~ 60°C 

~4 jaar+~1 jaar~6 maanden2 maanden
warme ruimte ~30°C~250 jaar+~75 jaar~25 jaar~ 7 jaar
normale ruimte ~25°C~500 jaar+~150 jaar~50 jaar~15 jaar
normale ruimte ~20°Cmillennia ~1000 jaar+enkele eeuwen   ~ 300 jaareen mensenleven ~100 jaareen generatie
~ 30 jaar

koele ruimte
~10 °C

~5000 jaar+~1500 jaar ~500 jaar~150 jaar 
koele ruimte
~0°C 
20.000 jaar+~6000 jaar ~2000 jaar~600 jaar

Nota: de meeste materialen in een gemengde collectie vallen in de lage gevoeligheidscategorie en bleven eeuwen en zelfs millennia bewaard zonder de huidige zorg voor hun bewaartemperatuur. Dat gebeurde in een omgeving met een gematigde temperatuur en beschermd tegen de Industriële Revolutie. Denk aan een landelijke omgeving of een gesloten omgeving: een gebouw, doos, de structuur van het voorwerp zelf, zoals in de binding die een boek beschermt. 

Een praktische vuistregel is dat elke verlaging van de temperatuur met 5°C de levensduur van een voorwerp verdubbelt, zoals uit tabel 1a en 1b blijkt. Er is controverse over de criteria om de levensverwachting van een voorwerp te bepalen - hoeveel vergeling, verstoring of uit elkaar vallen moet er zijn? - maar het staat buiten kijf dat de regel steek houdt. 


Fysische schade in periodes van te hoge temperatuur 

Sommige voorwerpen bevatten materialen die vervormen en verzwakken, of zelfs smelten boven een bepaalde temperatuur. Tabel 2 is een lijst van enkele bekende transitietemperatuurwaardes met voorbeelden van mogelijke schade aan objecten. Naast de 'exotische' voorbeelden van voedsel, cosmetica, was en het occasionele probleem van herstellijmen die lossen, is het meest betekenisvolle voorbeeld in tabel 2 ongetwijfeld de onherstelbare vervorming van moderne plastics. Vele elektronische media verdragen een lichte vervorming voor ze onleesbaar worden. Een voorbeeld in het dagelijkse leven is het snelle vervormen van videocassettes, cd's en dvd's als ze in rechtstreeks zonlicht worden bewaard. Belangrijk om te weten is dat de temperatuur die deze snelle vervorming veroorzaakt (~60°C) de klimaatrichtlijnen van de noden van zo'n materiaal behoorlijk overstijgt.

Extreme voorzorgsmaatregelen zorgen altijd voor een grote veiligheidsmarge, maar vanuit het perspectief van een risicoanalyse is het nuttig te weten welke exacte temperatuur over welke periode een ramp veroorzaakt in een collectie. Concreet: hoeveel minuten of uren in ~60°C zijn er nodig om een object op te warmen? 

Het deel over temperatuurschommelingen onderaan handelt over fysische schade door het uitzetten van materialen dat wordt veroorzaakt door het verhogen van de temperatuur zelf. 


Tabel 2: fysische schade veroorzaakt door of versneld door te hoge of te lage temperaturen

Temperatuurs-bereik

Temperatuur            

Fysisch effect en gevoelig materiaal

Voorbeelden

te hoogboven 60°Cvervormingstemperatuur voor vele plastics (PET, acryl, HDPE, ABS kunststof, nylon tussen 65 en 90°C) Plastic voorwerpen, plastic cassettes met elektronische media en optische media vervormen snel en onomkeerbaar bij deze temperatuur.
te hoogboven 60°Cverdwijnen van inwendige druk in biaxiaal PET dat normaal eeuwen duurt, zal zich na enkele uren of dagen voordoenDe basis van magnetisch materiaal (video, audio of tapes met data, floppydisks) vervormt onherstelbaar. Opnames kunnen onleesbaar worden.
te hoog boven 45 °Csmelten of zacht worden van was: bv. paraffinewas 47-65°C, bijenwas 60°C, carnaubawas 80°CSchilderijen: olieverfschilderijen bedoekt met washars kunnen lossen van hun bedoeking. Encaustiek schilderijen worden zacht. Wasafwerklagen, kaarsen, zeep verzachten of vervormen onherstelbaar.
te hoogboven 30°Cmengsels met was vervormen, splitsen of vormen uitbloei;
chocolade smelt op 34°C; verschillende polyvinylacetaatlijmen verzachten aanzienlijk en verliezen sterkte
Bepaalde voedselsoorten en cosmetica vervormen, veroorzaken  uitbloei en splitsen. Montages met papier, hout, herstelde keramiek, het gebruik van witte lijm kan uit elkaar vallen, zeker in combinatie met een hoge relatieve vochtigheid.
te laagonder 10°Cvervormbaar tot broze overgang in koolstofstaallegeringen sterk afhankelijk van gehalte aan koolstofBekende voorbeelden zijn de vliegtuigen uit WO II die onverwacht zijn gebarsten in het koude Atlantische Noorden. Toestellen in gebruik of geladen toestellen vormen meer een risico in de winter dan in de zomer. 
te laagonder 5°Cacrylverf, leerachtig en sterk bij kamertemperatuur, bereikt glastransitietemperatuurAcrylverf wordt meer gevoelig voor schokken en stoten dan bij kamertemperatuur
te laagonder -30°Cglastransitietemperatuur olieverf Olieverf wordt meer gevoelig voor schokken en stoten dan bij kamertemperatuur
te laagonder -40°C gevoelig voor transitie naar broosheid: acrylverf en
vele andere polymeren die leerachtig en sterk zijn bij kamertemperatuur, worden glasachtig of zelfs breekbaar bij -40°C. Krimp wordt aanzienlijk en dus kan elke spanning breuk veroorzaken
Acrylverf wordt extreem gevoelig voor schokken en stoten. De meeste rubbersoorten en elastische plastics die sterk en leerachtig zijn bij kamertemperatuur, worden heel gevoelig. Sommige plasticcomponenten kunnen breken als ze onder spanning staan, bv. wijzerplaten bevestigd op hout of metalen elementen. 

Biologische schade in periodes met een temperatuur die hoog genoeg is om groei te bevorderen  

Boven ~4°C ontstaat actieve schimmelgroei en boven ~10°C worden insecten actief. Erfgoedinstellingen in koude klimaten moeten weten dat de beslissing om bepaalde collecties (bv. met wol en veren) te verwarmen naar het niveau van het menselijk comfort, niet alleen meer zal kosten, maar ook de schimmelgroei zal verhogen. Het risico op insectenvraat neemt toe: een zorg gedurende zes te warme maanden in een jaar wordt hierdoor verlengd tot een zorg van een heel jaar. 


Een te lage temperatuur

Te lage temperaturen veroorzaken mogelijk fysische schade. Vele polymeren die zijn ontworpen om bij kamertemperatuur sterk te zijn, worden stijf en zelfs breekbaar als de temperatuur daalt. Het gaat vooral om moderne schilderijen en afwerklagen. Het meest risicovolle voor een collectie is niet dat de verandering zelf schadelijk is, maar dat deze objecten breekbaarder zijn en kunnen barsten als ze worden verplaatst. Tabel 2 vat dit samen. De verandering in breekbaarheid (glastransitietemperatuur) is tegelijk vroeger en meer dramatisch met acrylverf dan met olieverf.

Een onderzoek naar de vriesbehandelingen (temperatuur tot -30/-40°C) tegen insectenvraat toont aan dat er slechts bij enkele voorwerpen lichte schade optreedt. Het is momenteel niet zeker of die het gevolg is van de te lage temperatuur of de schommelingen. Alles bij elkaar genomen zijn de risico's door lage temperatuur bij de meeste voorwerpen die gevoelig zijn voor insectenvraat, veel kleiner dan door de insectenvraat zelf. 


Temperatuurschommelingen

Rechtstreeks fysisch effect van temperatuurschommelingen

Bij schommelingen in de temperatuur treedt er schade op door het uitzetten van materialen als de temperatuur stijgt en door het krimpen als de temperatuur daalt. Er is schade in twee situaties: als de componenten van een voorwerp uit verschillende materialen een andere uitzettingscoëfficient hebben, en als een voorwerp zich in een omgeving bevindt met fluctuaties die zich sneller voordoen dan waar het gelijkmatig kan op reageren.

Veel voorwerpen ondergaan extreme temperatuurschommelingen. Denk aan motoren en stalen bruggen, maar ook aan glazen, koffietassen enz. Wat leren ze ons? Dat de fluctuaties die breuk kunnen veroorzaken, in de buurt liggen van minimum ~200°C voor breekbaar materiaal, en dat ze nog veel hoger zijn voor stevig materiaal zoals hout, papier, leer, en de meeste verfsoorten. We vermeldden al dat recente studies over de neveneffecten van vriesbehandelingen (-30 tot -40°C) tegen insecten weinig of geen bewijs vonden voor fysische schade. Tim Padfield, een onderzoeker met veel ervaring in het veld, heeft bij één voorbeeld zichtbare schade aangetroffen die kan worden toegeschreven aan de schommeling van 50°C zelf (meer bepaald van 20°C tot -30°C en terug). Het ging om de delaminatie van een laagje metaal op het glas van een oude spiegel. Dit is in overeenstemming met de eerdere mening dat de meeste voorwerpen, zeker meer flexibele materialen dan glas en metaal (hout, verf, leer enz.) en de voorwerpen met materiaal dat kleine bewegingen toelaat (metaal inlegwerk in hout, uurwerken en meetinstrumenten vastgehouden door klemmen) een fluctuatie van 50°C zullen verdragen met een heel laag of verwaarloosbaar risico.

Een ander besluit: als een breekbaar voorwerp wordt beschadigd door een fluctuatie van 50°C,  zullen er bij dagelijkse fluctuaties van 10°C vele millennia nodig zijn om dezelfde schade te veroorzaken. Voor het merendeel van de collecties die veel minder gevoelig zijn, kunnen we voorzichtig de toegelaten dagelijkse fluctuatie verhogen tot 20°C of zelfs 40°C.


Toepassing van de bewezen fluctuatie

De analyse van het schaderisico door temperatuurfluctuaties is complex en er blijven veel onzekerheden. Om praktische redenen kan je het concept hanteren van de bewezen fluctuatie: elk object waarvan is geweten dat het ten minste één keer is blootgesteld aan een zeer lage temperatuur, neem -30°C, of aan een zeer hoge temperatuur, neem 40°C, is niet gevoelig voor verdere mechanische schade door nog zo'n periode omdat breuk, delaminatie en onherstelbare spanningen reeds plaats hebben gehad, tenzij je weet dat het voorwerp intussen fel verzwakt is door andere oorzaken.

Met andere woorden: van elk toekomstig patroon van fluctuaties dat gelijkaardig is aan een patroon uit het verleden kan je niet verwachten dat het significante schade zal veroorzaken. Daarom is het belangrijk de klimaatbeheersing uit het verleden te analyseren (en niet te onderschatten hoe slecht ze was).


Een evenwicht vinden in de risico's van conflicterende correcte temperaturen

Dat de invulling van het begrip 'verkeerde temperatuur' afhankelijk is van het materiaal, veroorzaakt moeilijkheden om de juiste temperatuur te vinden. Het meest courante dilemma doet zich voor wanneer men chemische aftakeling door een te hoge temperatuur, de fysische schade door een te lage temperatuur en de onvermijdelijke seizoensschommelingen wil verzoenen. 

Zal een museum met een gemengde collectie (textiel, papier, plastics, rubber enz. ) voordeel halen uit lage wintertemperaturen, zelfs als sommige materialen breekbaar kunnen worden? Als het die koude condities niet in de zomer kan halen met een dure klimaatinstallatie, zullen de seizoensschommelingen de voordelen van de weinige koude dagen overstijgen? Is er een compromis mogelijk? Winterkoude kan een collectie helpen bewaren. De klimaatgeschiedenis van vele materialen toont dat een collectie er baat bij heeft in de winter niet in verwarmde ruimtes bewaard te worden.

Een meer genuanceerde houding tegenover winterkoudes is mogelijk. Als de wintertemperatuur onder 5°C ligt, zijn de voordelen van een lagere wintertemperatuur betekenisloos wat betreft het totale jaarlijkse verval, omdat de zomerperiode onveranderd blijft. De mechanische risico's  zullen wel blijven stijgen als de wintertemperatuur lager is dan 5°C. Dus, rekening houdend met een lage energiebenadering (weinig verwarmen tijdens de winter en weinig koelen tijdens de zomer): houd het de zomer onder 25°C en in de winter boven 5°C.

Om de bewaring van chemisch onstabiel materiaal te verbeteren, zoals kranten, film, tapes, plastics, enz., moet men een specifiek koude opslag gedurende het hele jaar overwegen.


Problemen in de relatieve vochtigheid veroorzaakt door schommelingen of een ongelijkmatige temperatuur

Musea beschouwen het beheersen van de temperatuur en relatieve vochtigheid (RV) samen als klimaatbeheersing. Een verkeerde temperatuur en een verkeerde relatieve vochtigheid zijn echter twee verschillende aspecten, omdat de schade die ze veroorzaken verschilt en omdat het verbinden van beide in de klimaatbeheersingsstandaarden heeft geleid tot valse veralgemeningen en foute vereenvoudigingen.

Twee voorbeelden: voor fotografische en elektronische opnames, kranten en zelfdestructieve plastics in de moderne kunst is een te hoge temperatuur risicovol en de RH een te verwaarlozen factor. Het omgekeerde is waar voor collecties met meubelen, ivoor, metalen en olieverfschilderijen: daar zijn RH-schommelingen belangrijk, terwijl de meeste vormen van 'verkeerde' temperatuur dat niet zijn.

Twee praktische verbanden tussen temperatuur- en RV-schommelingen zijn belangrijk: 

  1. temperatuurschommelingen over de tijd
  2. schommelingen in een ruimte, uitgedrukt als een ongelijkmatige temperatuur. 

Een ongelijkmatige temperatuur van ruimte naar ruimte in een gebouw is vaak een groter probleem dan schommelingen in de tijd, zeker voor collecties in niet-ideale gebouwen. Het hoofdstuk 'Verkeerde relatieve vochtigheid' legt de manieren uit waardoor ongelijkmatige temperaturen een bron worden van een verkeerde relatieve vochtigheid. De belangrijkste vorm van verkeerde RV, vocht, is meer het gevolg van vochtige lucht die koude oppervlakken bereikt (condensatie).


Bronnen van verkeerde temperatuur

Zonlicht

Rechtstreeks zonlicht kan de oppervlaktetemperatuur van donker geïsoleerde materialen die naar de zon zijn gericht (bv. donker hout, textiel en plastic), snel tot 40°C boven de omringende temperatuur doen stijgen. Op een zonnige dag bereiken dergelijke oppervlakken wel eens 75°C. Als ze ingesloten zijn door glas, zijn zelfs nog hogere temperaturen mogelijk.

Zonnestralen hebben de kracht om al de te hoge temperaturen zoals die zijn opgelijst in tabel 2, nog te overstijgen. Ook de gevoeligheidscategorieën voor aftakeling uit tabel 1a en 1b stijgt met factor honderd als voorwerpen vaak door de zon worden bestraald. Papier ingelijst in glas en met een bescherming aan de achterzijde is het meest gevoelig.

Elektrische verlichting

Gloeilampen en kwartshalogeenlampen veroorzaken een opwarming van het oppervlak door hun hoge gehalte aan infraroodstraling. Gloeilampen hebbben een hoger infraroodgehalte dan zonnestralen. Na rechtstreeks zonlicht zijn gloeilampen in vitrines de meest courante bron van extreme temperatuurschommelingen in musea (en ook van RV-schommelingen). 

Gebouwen en hun klimaatbeheersingssysteem

Vele vormen van verkeerde temperatuur worden gemeten naast radiatoren en luchtventilatie. In kamers met een gebrekkige of haast geen ventilatie ervaren de buitenmuren grotere fluctuaties dan het kamergemiddelde. De plafonds zijn altijd warmer, de vloeren altijd kouder. 

Objecten in transit

Het risico op een verkeerde temperatuur is tijdens een verplaatsing hoog, zeker voor schilderijen. De temperatuur in ongecontroleerde voertuigen kan in de zomer veel hoger liggen dan buiten en in de winter is ze in een vrachtwagen veel lager dan de 'te lage temperatuur' die we in tabel 2 geven voor acrylschilderijen. Zelfs een snelle verplaatsing tussen het depot en de tentoonstellingsruimte kan licht verpakte schilderijen breekbaarder maken dan je zou verwachten. 


HET Beheersen van EEN 'verkeerde' temperatuur

Je kan niet streven naar 'geen temperatuur', wat bij andere schadefactoren wel kan: geen insecten, geen brand enz. We moeten eerst de verschillende verkeerde en correcte temperaturen definiëren om te weten wat we willen beheersen en we moeten ook de gevoeligheden van de collectie bepalen. Bedenk daarbij: de mens is geen goed referentiepunt. Wij houden van een temperatuur van zowat 21°C, met niet meer dan 2°C schommeling, als we zitten. Dat uitgangspunt is verkeerd voor de meeste archiefmaterialen en voor onstabiele plastics.

Vermijd

  • Vermijd het plaatsen van organisch materiaal of fragiel anorganisch materiaal in ruimtes met direct zonlicht. Zelfs in opslagruimtes van grote voorwerpen buiten vermijd je het best blootstelling aan vol zonlicht als de materialen uit hout, verf, leer, rubber, textiel of plastics bestaan.
  • Vermijd bronnen van verkeerde temperatuur tijdens het ontwerpstadium van gebouwen. Zorg voor een passieve thermische controle om geïsoleerde muren te maken met een hoge thermische massa. Zo worden schommelingen in de buitentemperatuur uitgevlakt over verschillende dagen en weken.
  • Vermijd mechanische systemen die niet betrouwbaar zijn en die het personeel (en lokale financiering) niet makkelijk kunnen onderhouden. Het is belangrijker deze extreme condities door een systeem dat jaren niet functioneert te vermijden dan routineuze kleine fluctuaties van dag tot dag te vermijden. 
  • Vermijd het winterse verwarmen van collecties met onstabiele materialen. Haal voordeel uit de winter door het vermijden van chemische afstakeling en ongedierte en schimmels.


Blokkeer

  • Blokkeer het zonlicht met luiken en luifels, en met daken over voorwerpen die buiten staan.
  • Gebruik isolatie of zorg ten minste voor een ventilatieruimte (10cm of meer) tussen objecten en buitenmuren, koude vloeren en warme plafonds.
  • Isoleer kunstwerken in transit, in de kist of met dekens als je ze met de hand over korte afstand verplaatst.


Detecteer

  • Monitor de temperatuur. Van alle schadefactoren is de temperatuur wellicht het eenvoudigst en het goedkoopst om precies te meten.
  • Detecteer tekenen van chemische schade, zoals bruin breekbaar papier en aftakelende foto's. Deze voorbeelden kan je gebruiken als een algemene indicatie als het beleid niet vertrouwd is met onstabiele materialen. Als je duidelijk wil maken dat de temperatuurbeheersing in het verleden niet correct was, heb je een nauwkeurig conditierapport nodig en goede temperatuursmetingen over die periode.
  • Detecteer tekenen van oude mechanische schade, maar interpreteer ze zorgvuldig voor je conclusies trekt over de temperatuurbeheersing. Restauratoren tonen vaak gebarsten meubelen en schilderijen met craquelures als bewijs dat ze klimaatinstallaties nodig hebben. Terwijl dat waar kan zijn voor beheersing van de relatieve vochtigheid, is het bijna nooit een bewijs dat de beheersing van de temperatuur niet voldoende was.  


Reageer

  • Reageer via mechanische systemen, zoals verwarmingstoestellen en aircotoestellen gecontroleerd door een thermostaat. Betrouwbaarheid van de toestellen is essentieel.  
  • Reageer op het aspect van onstabiele materialen die zullen verdwijnen in één generatie door de temperatuur te verlagen, (of door andere archiveringsstrategiëen, zoals het overzetten van de informatie naar stabiele (vb. digitale) media). 
  • isoleer voornamelijk onstabiele materialen in collecties, zoals slecht geproduceerde negatieven, onderdelen in urethaanschuim, rubberen voorwerpen, vermengd met meer stabiele materialen. Deze vallen vaak visueel op als bronnen van vergeling, en zouden best verwijderd en afzonderlijk opgeslagen worden omdat hun afbraakproducten andere materialen beschadigen.


Remedieer

  • mechanische breuk kan vaak worden hersteld, hoewel de breuknaden zullen zichtbaar blijven
  • fysische vervorming, als gevolg van extreme hoge temperatuur kan niet worden weggewerkt.
  • Chemische veroudering kan niet worden behandeld.

 

strategieën voor degelijke praktijk en volkomen praktijk (basic en optimum control)

Degelijke praktijk

  • verzeker betrouwbare muren, daken, ramen, en deuren met goede isolatie, en verkies hoge massieve muren
  • als toevoeging bij het eerste, verzeker dat rechtstreeks zonlicht de materialen niet kan bereiken, zeker deze opgelijst in tabel 2, die zullen lijden onder een enkele dag met zonlicht
  • Met deze twee bovenstaande stappen, zullen alle fysische risico's van verkeerde temperatuur worden vermeden, maar materiaal met een hoge gevoeligheid, opgelijst in tabel 1, zal toch een korte levensduur blijven hebben. 
  • inspecteer archieffilm collecties en bewaar snel aftakelende negatieven gescheiden (door lage productiekwaliteit) van de rest van de collectie. Scheid alle cellulosenitraatfilms  om een aanval door zuren op andere materialen in de omgeving te vermijden en om het risico op brand te vermijden
  • Inspecteer gemengde collecties en moderne kunstcollecties, en verwijder snel aftakelende nitraten, plastics, rubber, en urethanen die naburige materialen kunnen besmetten


Volkomen praktijk: verschillende collecties, verschillende situaties, verschillende beheersmaatregelen

Volg de degelijke praktijk zoals boven en integreer het volgende indien nodig:

  • voor archiefcollecties en moderne materialen in gemengde historische collecties, identificeer de stabiliteit van de materialen zoals opgelijst in tabel 1a en 1 b, en voorzie een koude of koele opslag als noodzakelijk wordt geacht door de missie van de erfgoedinstelling. Koude opslag kan worden bereikt van een enkele vriezer tot opslag op niveau van het gebouw. Kleine musea zouden koude opslag samen met andere erfgoedinstellingen moeten overwegen.
  • Voor een gemengde collectie die in een oud gebouw is gebleven voor meerdere tientallen jaren zonder merkbare verandering tijdens de laatste 10 jaar, 'verbeter' dan niet de beheersing (vb. voeg nieuwe componenten toe, of verander hun werking zoals meer verwarmen in de winter dan ervoor), zonder zorgvuldig te beschouwen wat de huidige verkeerde temperatuur is en welk bewijs je hebt om te geloven dat deze meer schade zullen veroorzaken dan de 'verbeteringen'. Begin bij het verzekeren dat de betrouwbaarheid en langetermijn onderhoud van alle huidige bouwelementen en beheersingsmethodes, eerder dan het veranderen van de klimaatdoelstellingen.
  • als je klimaatbeheersing van het volledige gebouw in overweging neemt, herken dan de beperkingen van de bouwschil als het gebouw zelf historische waarde heeft. Een tabel van de vijf gebouwtypes (ASHRAE) in hun vermogen om het klimaat te beheersen, vind je terug in het hoofdstuk gebouwklasse. Selecteer en implementeer een geschikte ASHRAE minimum-en maximumwaarde en een niveau van toegelaten schommelingen.
  • Wanneer je reizende tentoonstellingen wil exposeren, dan moet je erkennen dat sommige grote uitlenende instellingen de ASHRAE klimaatklasse A eisen, of soms AA. Dan zijn vaak gebouwen nodig die hierop zijn ontworpen. Overweeg dan het box-in-boxprincipe of 'cocon'benadering. 
Laatst gewijzigd op 16/09/2015