U bent hier

Been, gewei, ivoor - archeologisch

Been, gewei, ivoor - archeologisch

Archeologische voorwerpen uit been, gewei of ivoor bevatten een schat aan informatie, net als onbewerkt botmateriaal. De bewerkte objecten maken meestal deel uit van voorwerpen die nog andere materialen bevatten. Denk aan bot dat is gebruikt voor de handgreep van een ijzeren mes. Natuurlijk botmateriaal is veelvuldig aanwezig in een archeologische context. Bewerkt bot, gewei en ivoor komen minder voor.

Lees hier hoe je het best met deze kwetsbare materiaalcategorie omgaat.

Auteur: Natalie Cleeren, 2015

Materialen, technieken en bijzonderheden

Been, gewei en ivoor bestaan uit een anorganisch deel dat zorgt voor hardheid en een organisch deel dat zorgt voor elasticiteit en stevigheid. De drie bevatten dezelfde materialen maar in verschillende verhoudingen. Het organische deel bestaat grotendeels uit de vezelachtige proteïne collageen, het anorganische uit kalkzouten (hydroxyapatiet).

Ivoor bestaat uit 'dentine', met een hoog aandeel hydroxyapatiet. Ook tanden bestaan uit dentine, met daaromheen een email van bijna 100% kalkzouten.

Let op: al deze materialen bevatten water en hebben een verschillende interne structuur die maakt dat ze bij uitdroging op andere manieren barsten en lamineren.


AFTAKELING

In de bodem

  • In de meeste bodems met zuurstoftoegang breekt het organische deel van been, gewei en ivoor als eerste af door de aantasting van schimmels en bacteriën. Wat overblijft, is een hard maar broos en kalkrijk bot.
  • In een zure bodem degraderen de anorganische kalkzouten en blijft een zacht en sponzig collageen bot over dat, als het overleeft in een zuurstofrijke bodem, sterk krimpt en lamineert bij uitdroging.
  • De lege ruimtes die ontstaan door het wegvallen van componenten, worden gevuld met water. Samen met dit grondwater dringen mineralen in het materiaal en fossiliseren ze gaandeweg het bot.
  • Oplosbare zouten (mechanisme van verwering: zie keramiek) dringen in deze materialen binnen. Vooral ivoor en tanden zijn hiervoor gevoelig.
  • Botmateriaal verkleurt in de bodem door de inwerking van allerlei stoffen. Zo kan het bot in een natte en zuurstofarme omgeving zwart of bruin kleuren. Het kan bruin, oranje, tot zelfs groen en blauw kleuren door het contact met metaaloxiden.

 

Bij de opgraving

Droging

Tijdens of na de opgraving komen organische materialen terecht in een veel drogere omgeving. Sommige objecten zullen barsten, schilferen en vervormen wanneer het water té snel verdampt (door de te grote oppervlaktespanning van water). Vooral ivoor en sterk gedegradeerd botmateriaal zijn hiervoor gevoelig en overleven alleen met een gecontroleerde droging.

Tenzij het sterk verweerd is (zoals in zure zandgronden), zal onbewerkt menselijk en dierlijk bot vrij goed bestand zijn tegen de nieuwe bewaaromgeving. Haal deze materialen snel genoeg uit de zon en verpak ze correct.


Licht

Voorwerpen worden bij de opgraving onderworpen aan plots en veel (UV-)licht. Stel ivoor zeker niet bloot aan zonlicht.


Composiet materialen

Bewerkt botmateriaal maakt veelal deel uit van een metalen voorwerp (bv. handgrepen van messen). Het risico bestaat dat de actieve corrosie van bv. ijzer het bot doet barsten.


In depot

  • Bot, gewei en ivoor (vooral met veel organische componenten) reageren sterk op schommelingen in de luchtvochtigheid. Ze blijven zwellen en krimpen, en gaan barsten, schilferen en breken.
  • Voorwerpen gemaakt uit lange beenderen en ivoor gaan meer dan andere sterk lamineren bij droging. De schade neemt toe wanneer de luchtvochtigheid op en neer blijft gaan.
  • Omgevingsdampen kunnen permanente schade veroorzaken. Zo zullen zure dampen uit verpakkings- en tentoonstellingsmaterialen (hout, papier, karton, verven en lijmen) het materiaal aantasten.
  • Oplosbare zouten in een omgeving met wisselende luchtvochtigheid doen botmaterialen lamineren (hetzelfde mechanisme als zoutschade bij keramiek).
  • (UV-)lichtverbleekt mogelijke verfstoffen en het botmateriaal zelf. Het tast vooral ivoor zo aan dat het zeer broos en breekbaar wordt. In een volledig donkere ruimte zal ivoor vergelen, wat minder erg is.
  • Schade door micro-organismen treedt vaak op in vochtige omstandigheden. Schimmels kunnen de materialen ook verkleuren.
  • Ook zuren en vetten van onze handen veroorzaken vlekken, net als weekmakers in allerlei (niet inerte) kunststoffen.

 

Oude restauraties

  • Schade door verkeerde lijm: lijmnaden verkleuren, er komen schadelijke stoffen in het poreuze materiaal terecht (ontstaan van zouten), de verlijming is te zwak of te hard (en onomkeerbaar). Sommige verkleuringen en materialen kan je niet meer verwijderen.
  • Schade door lijm/vernis: objecten uit botmateriaal bedekte men vroeger vaak met een beschermlaag of impregneerde men met allerhande producten.
  • Oplosbare zouten duwen soms een beschermlaag weg. De met vernis opgevulde laag van het object reageert anders op een wisselende temperatuur en vochtigheidsgraad dan het niet-geïmpregneerde deel. De twee delen bewegen anders en maken zich langzaamaan los.
  • Verschillende soorten ongeschikte beschermlagen en consoliderende producten verkleuren en trekken stof aan.

 

CONDITIE BEPALEN

  • Let bij botmaterialen, en zeker bij ivoor, op barsten en scheurenMerk je actieve verwering op? Evalueer na korte tijd (minstens drie keer met een interval van twee weken) de lengte van de barst opnieuw. Zo zie je of hij 'actief' is en verder gaat.
  • Let op afschilfering van het oppervlak of de afwerklaag (zouten of verlies cohesie). Consulteer een specialist.
  • Verkleuringen zijn 'normaal' bij archeologisch botmateriaal en niet schadelijk. Het is niet de bedoeling dat deze materialen na de opgraving verder verkleuren door contact met ongeschikte materialen, schimmels en (UV-)licht.
  • Oude restauratiematerialen: merk je vergelende lijm of afschilfering van de vernislaag, grijp dan in.

 

BEWAREN

Bij de opgraving

  1. Natuurlijk bot, tenzij zeer sterk verweerd, laat je aan de lucht drogen. Vermijd direct zonlicht. Bewaar het in doorgeprikte zakken om luchtcirculatie toe te laten, met niet té veel samen.
  2. Laat bewerkt bot, gewei of ivoor op een zachte manier wennen aan een nieuwe (lagere) vochtigheidsgraad. Een conservator kan inschatten op welke manier dat het best gebeurt.

Bewaar het in een omgeving van bijna 100% (onderdompeling in water is niet nodig). Verpak afzonderlijk in inerte zakjes of doosjes, mét de omliggende aarde. Reinig de vondsten niet. Bewaar ze in een koele, donkere (koel)ruimte; zo vermijd je micro-organismen. Doe dat tot ze worden overgedragen aan een specialist. Opgelet: deze tijdelijke manier van verpakken is niet geschikt voor permanente bewaring in depot.


In het depot

  1. Bewaar droog en gedroogd botmateriaal in een stabiele omgeving, met een vochtigheidsgraad tussen 50 tot 55% (met minimale fluctuatie). De maximale schommeling bedraagt 3% per etmaal, zeker voor ivoor. Zorg voor een constante temperatuur van 18 tot 22°C.
    (UV-)licht: max. 200 lux voor bot en max. 50 lux voor ivoor.
    Omgeef en verpak de objecten enkel met zuurvrije en inerte materialen.
  2. Composietobjecten (veelal bot en metaal): omdat actieve corrosie van de metalen meer schade veroorzaakt dan een té droge bewaring van bot, geven we de voorrang aan het metaal en worden dergelijke objecten vaak zeer droog bewaard.
    Elk composietobject is anders: vraag raad aan een conservator.

 

HANTEREN en VERPLAATSEN

  • Hanteer bewerkt bot, gewei en ivoor heel omzichtig en altijd met handschoenen.
  • Deze objecten verplaats je beter in een geschikte verpakking dan dat je de objecten steeds weer manipuleert.

 

REINIGEN

Bij de opgraving

  • Fragiel onbewerkt botmateriaal, bewerkt bot, gewei en ivoor was je niet. Het vuil dringt dieper in het object en mogelijke sporen van versieringen of gebruik gaan verloren. Laat de voorwerpen door een specialist reinigen.
  • Het 'bulk' natuurlijk botmateriaal spoel je voorzichtig met kraantjeswater, met gebruik van zachte borstels.
  • Geef de materialen nooit een nabehandeling. Tracht ze niet te beschermen tegen verdere breuken met een vernis of consolidatieproduct (bv. houtlijm). De kans is groot dat het probleem op langere termijn verergert.

 

In het depot/museum

Museale objecten en geconserveerde objecten reinig je niet actief. Stof lichtjes af met een zacht penseel als dat vermeld staat in het conservatiedossier. Zelfs een vochtig doekje kan leiden tot het plaatselijk zwellen van het materiaal, met scheuren en breuken als gevolg.


Opslag en verpakken in depot

  1. Bewerkt bot, gewei en ivoor verpak je met een zachte, inerte ondergrond, zoals PE-schuim of zuurvrij papier. Enkele laagjes PE-schuimfolie zijn een minimumvereiste. Snij beter een vorm uit in PE-schuimplaat.
    Verpak de objecten in een inerte doos die toch luchtcirculatie toelaat.
  2. Niet-bewerkt botmateriaal (menselijk en dierlijk) verpak je, tenzij het zeer fragiel is, in geperforeerde PE-zakken. Een grote zak boordevol met botmateriaal veroorzaakt schade. Elk botje apart verpakken is uiteraard niet haalbaar, maar blijf voorzichtig!

Zie ook het hoofdstuk bewaren en verpakken.

 

ROL VAN DE GESPECIALISEERDE RESTAURATOR

  • Fragiel botmateriaal, bewerkt bot en zeker ivoor droog je niet 'ongecontroleerd' aan de lucht. Dat is werk voor specialisten die evalueren hoe het object het best gedroogd wordt om barsten en scheuren te voorkomen.
  • Droog bulkmateriaal aan de lucht, maar niet in de zon. Wees voorzichtig en let voortdurend op barsten, scheuren en afschilfering.
  • Objecten wassen? Zie hierboven bij 'Reinigen'.
  • Verlijmen en consolideren is een taak voor specialisten.
Laatst gewijzigd op 27/07/2016